(20)
Geloof, moed, geheugen, verzonkenheid en ware kennis vormen dan
het tegendeel van zoals het voorheen was. (21) Voor hen die enthousiast
er serieus werk van maken ligt het binnen handbereik. (22) Men
kan er verschillend onstandvastig, met mate en verder ook volijverig
mee bezig zijn.
(23) Anderzijds kan men ook van toewijding zijn voor de persoon
van God, te weten de Heer van de Yoga en Zijn vertegenwoordigers.
(24)
De persoon van God is een persoon die zich onderscheid van andere
personen als zijnde het reservoir dat los staat van leed, baatzuchtige
arbeid en de gevolgen daarvan. (25) Dat reservoir is de onovertroffen
bron van alle kennis.
(26)
Met die bron handelt het om het beslag met de tijd dat stabiel
is, dat vóór alles komt en dat ook de leraar is.
(27) Hij, die bron, wordt aangeduid met de lettergreep AUM, de
pranava. (28) Het is de bedoeling die lettergreep steeds weer
opnieuw voor jezelf te herhalen. (29) Dan keren de gedachten zich
naar binnen om daar behalve een afwezigheid van hindernissen ook
de beheersing te vinden.
(30)
De hindernissen bestaan uit ziekte, onstandvastigheid, besluiteloosheid,
onoplettendheid, luiheid, misvatting, ontmoediging en een dwalende
geest.
(31)
Ook komen er zorgen, wanhoop, fysieke wisselvalligheid en verkeerd
ademhalen bij kijken die je verder op een dwaalspoor kunnen brengen.
(32) Om dat tegen te gaan moet je het volhouden met die ene ware
staat, als principe en werkelijkheid. (33) Je moet dan een genadige
instelling in gedachten houden van vriendelijkheid, mededogen
en blijdschap in gelijkmoedigheid wat betreft geluk en ongeluk,
deugd en ondeugd.
(34)
Een andere mogelijkheid is het vestigen van de aandacht op de
uitgaande of de ingehouden adem.
(35)
Of men richt zich op een voorwerp dat de geest houvast biedt.
(36)
Ook kan men een einde maken aan z'n zorgen met behulp van een
heldere lichtbron.
(37)
Nog een mogelijkheid is zich te richten op een heilig voorwerp
of een bewuste geest vrij van gehechtheden [een heilige b.v.].
(38) Ofwel berust men in de basis die ten grondslag ligt aan de
slaap, het dromen en het waken.
(39)
Verder kan je mediteren op alles wat je maar aangenaam vindt.
(40)
Als men dit onder de knie heeft kan men in het kleinste nog het
allerhoogste ontdekken. (41) Met het gepieker dat zich oplost
vindt de kenner, het kennen en het gekende zijn stabiele basis
als was het een heldere diamant, en ondergaat men een transformatie.
(42) In die getransformeerde staat geheel verzonken zijnd vallen
dat wat men hoort, de betekenissen, het kennen en de overwegingen
allemaal samen.
(43)
Als het terugdenken aan dingen geheel is uitgezuiverd, vrij is
van zijn eigen aard zo gezegd, treedt het enkele schouwen in zijn
zuiverste vorm naar voren dat vrij is van iedere overweging. (44)
Door dit enkele beschouwen dat het zonder overwegingen kan stellen
openbaart zich dan tevens het subtiele. (45) Het subtiele dat
er van elders is, is dan - zonder dat het te zien is - bij het
kennen inbegrepen. (46) Dit verzonken zijn is onvermijdelijk afhankelijk
van een bepaalde basis van iets dat in werkelijkheid bestaat.
(47)
Heeft men ervaring in dit onbespiegelde kennen dan is er de sereniteit
van de zuivere ziel, de hoogste geest. (49) Wat men van horen
zeggen heeft of zelf heeft geconcludeerd staat geheel los van
dit doel van de zuivere intelligentie. (50) Wat zich in die staat
opwerpt aan inzicht verkeert in tegenstelling met de verwerking
van andere indrukken. (51) Als men dat ook stopt en zo aan alles
een einde maakt, is er de diepe verzonkenheid die zonder een object
is.
Tekst
afkomstig van:
http://theorderoftime.com/ned/persoonlijk/yogadraad.html